
Jan van der Meeren was de zoon van Franciscus J. A. van der Meeren en Anna C.Keijzers. Hij ging naar de HBS op het Canisiuscollege en behaalde in 1941 het HBS-B diploma, waarna hij sociale geografie ging studeren in Utrecht. Tot december 1942 volgde hij er de colleges. In 1943 ging hij eerst bij een boer werken, keerde daarna terug naar Nijmegen en sloot zich aan bij de Nijmeegse studenten die uit protest tegen de bezetters de April-Mei staking propageerden. Jan moest na het neerslaan van deze staking onderduiken, maar werd opgepakt en op 6 mei '43 naar Berlijn gedeporteerd. Vluchtpogingen mislukten. Toch slaagde hij erin naar Oberhausen overgeplaatst en er tewerkgesteld te worden. In april '44 gelukte het hem met vervalste papieren terug te keren in Nederland. Hij dook onder in Riel bij Tilburg en sloot zich onder de naam Jan van As aan bij een verzetsgroep, die o.a. geallieerde piloten hielp in veiligheid te brengen. In september '44 nam de Rielse verzetsgroep 18 Duitse soldaten krijgsgevangen. In oktober wist Jan met drie collega's uit het verzet het naar Riel oprukkende Poolse tank-bataljon ervan te overtuigen dat verdere artilleriebeschieting zinloos was, omdat de Duitsers al Riel verlaten hadden. Vervolgens wist hij de brug op de weg van Riel naar Goirle te behouden door de ontstekingslonten door te snijden en een tegenwerkende Duitser neer te schieten. Op 27 oktober '44 werd Riel bevrijd. Vijf dagen later , op 1 november '44, ontplofte een mijn die onder leiding van Jan gedemonteerd werd. Het kostte hem het leven "als slachtoffer van zijn vaderlandse plicht", aldus zijn bidprentje.